Peter Grootendorst Mindset coaching & trainingen

Een hond heeft een baas

Over de grote bek die ooit bescherming was, en het moment waarop vroeger ineens mee begint te praten.

Peter Grootendorst zittend in zonlicht bij een persoonlijke blog over oude patronen, pesten en zelfbescherming.

“Godverdomme, een hond heeft een baas. Wie denk je wel niet dat je bent?”

Dat zei ik tegen een psychiater.

En omdat ik blijkbaar vond dat mijn bijdrage aan de samenwerking nog niet helemaal af was, zei ik er ook achteraan dat hij in het vervolg zijn eigen tyfusze-teringbende maar op moest knappen als hij niet wilde luisteren.

Daar stond ik dan.

Ergens in 2015 of 2016. Neus aan neus met een psychiater. Met mijn werkervaring, mijn professionele houding, mijn kennis over gedrag en communicatie, en een zin die waarschijnlijk nooit in een training de-escalerend werken terechtkomt.

Daarna kon ik mij melden bij de manager.

Volkomen terecht.

Het begon met iets heel praktisch. Ik vroeg of hij zijn beleid voor het weekend iets anders kon afstemmen, zodat wij er in de nachtdienst minder werk en vooral minder onrust van zouden hebben op de groep.

Dat was geen gekke vraag. Tenminste, dat vond ik zelf. En meestal vind ik mijn eigen vragen op dat moment behoorlijk redelijk.

Dit was inmiddels het derde gesprek hierover.

Steeds liep het hetzelfde. Het beleid gaf onrust op de groep, wij mochten het later oplossen en ik voelde mijn irritatie oplopen. Ik wilde het nog één keer uitleggen. Nog één keer duidelijk maken waarom dit op de groep niet handig was.

Toen kwam hij dichterbij.

Te dichtbij.

Hij ging als het ware boven mij staan en zei iets in de richting van:

“Je moet gewoon naar mij luisteren, want ik ben je baas.”

Het kwam binnen als een lucifer in een ruimte waar al benzinedamp hing.

Mijn hoofd had nog iets verstandigs kunnen zeggen. Iets over samenwerking, toon of veiligheid. Keurig. Waarschijnlijk zelfs bruikbaar in een reflectieverslag.

Mijn lijf koos een andere route.

Oogkleppen op.

Actie.

Vol erop.

Daar stond niet alleen de verpleegkundige die zich zorgen maakte over de nachtdienst. Daar werd ook iets ouds geraakt. Dat stuk in mij dat klein gemaakt worden razendsnel herkent. Of denkt te herkennen. Dat stuk dat ooit had geleerd: als je stil blijft, gaat het door.

En ergens in al dat pesten had ik mezelf iets aangeleerd.

Als je heel hard van de toren blaast, houdt het op.

Als iemand je klein maakt, maak jij jezelf groter. Hard. Duidelijk. Zonder twijfel.

En ja, vroeger werkte dat. En daar was ik zelfs trots op. Op die duidelijke mening. Die grote bek. Die durfal. De man die voorop liep en wel even zou vertellen hoe het zat.

Daar had ik toen geen psychologische uitleg bij.

Ik dacht niet: interessant, dit is mogelijk een overlevingsstrategie vanuit oude pijn.

Natuurlijk niet.

Ik dacht gewoon: zo ben ik.

Direct. Duidelijk. Niet bang. Iemand met een mening. Iemand die zegt wat anderen misschien denken, maar niet durven zeggen.

Pas veel later ben ik daar anders naar gaan kijken.

Want duidelijk zijn is niet het probleem. Je mond opentrekken ook niet. Ergens voor gaan staan al helemaal niet.

De vraag is vooral: wie staat er op dat moment aan het stuur?

De volwassen versie van mij, of dat oude stuk dat denkt: nu toeslaan, anders ben ik weer de klos?

In dat gesprek werd ik niet gepest. Ik werd onhandig aangesproken op hiërarchie. Dominant, ongemakkelijk en weinig helpend.

Mijn lijf maakte daar iets anders van.

En oude patronen zijn niet bepaald sterk in nuance. Die gaan niet eerst even rustig vergaderen met de feiten. Die ruiken iets bekends, trekken een conclusie en zetten alvast de sirene aan.

Bam.

Daar ga je.

Nu kan ik zeggen dat ik te ver ging. Dat ik er niet trots op ben. Dat mijn reactie groter was dan het moment.

Maar toen kon ik dat niet.

Jaren later eigenlijk ook nog niet.

Toen voelde het vooral alsof ik eindelijk eens terugduwde. Alsof ik een grens trok die al veel eerder getrokken had moeten worden. Alsof ik niet opnieuw toestond dat iemand boven mij ging staan en bepaalde waar mijn plek was.

Vanbinnen voelde het als zelfbescherming.

Misschien zelfs een beetje als overwinning.

En juist dat maakte het lastig.

Want hoe stuur je iets bij dat jarenlang voelde als karakter?

Hoe kijk je kritisch naar iets waar je ooit status aan ontleende?

Ik denk niet dat dat helemaal weggaat. Dat hoeft misschien ook niet. Er zit ook kracht in. Alleen wil ik niet meer dat die kracht automatisch uit de verkeerde la komt.

Ik leer het sneller herkennen. En als ik het sneller zie, dan kan ik ook bijsturen.

Soms op tijd. En soms pas wanneer ik mezelf alweer hoor praten en denk:

ah.

daar is de afdeling “ik regel dit wel even” weer.

Die afdeling heeft mij ooit beschermd. Dat snap ik.

Maar hij hoeft niet meer elk overleg over te nemen.

Zeker niet met een psychiater.

En al helemaal niet neus aan neus.